Ze zei er niks over, dus ze vond het vast knudde
- Tamara Janmaat
- 11 jun
- 5 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 14 jun

Ik denk soms verrassend goed te weten wat andere mensen denken.
Iemand reageert kort op een bericht en ik weet het zeker: boos. Iemand kijkt weg tijdens een gesprek: niet geïnteresseerd. Iemand zegt niets na een workshop: vond het vast knudde.
Tenminste, dat denk ik te weten.
Want voor ik het doorheb, heb ik niet alleen iets gezien of gehoord, maar daar ook meteen betekenis aan gegeven. Een korte reactie wordt afstand. Een stilte wordt afwijzing. Een blik naar buiten wordt desinteresse. In een paar seconden staat er een compleet verhaal overeind, inclusief bewijsvoering, ondertiteling en dramatische eindscène.
Hoppa.
Daar zit ik dan. Met een heel verhaal in mijn hoofd dat nog door niemand is bevestigd.
Het ingewikkelde is dat zo’n verhaal meestal niet voelt als een verhaal. Het voelt als waarheid. Alsof ik gewoon zie wat er aan de hand is. Terwijl er ondertussen van alles tussen zit. Mijn geschiedenis. Mijn onzekerheid. Mijn verlangen om het goed te doen. Mijn angst om afgewezen te worden. Mijn behoefte aan erkenning, helderheid of contact.
Geweldloze Communicatie maakte voor mij een onderscheid dat ik inmiddels bijna dagelijks gebruik: het verschil tussen wat er daadwerkelijk gebeurt en het verhaal dat ik mezelf erover vertel.
Dat klinkt simpel, bijna te simpel.
Totdat je er echt op gaat letten.
Want wat gebeurde er nou echt?
Het was stil aan haar kant.
Dat is de waarneming. Meer weet ik niet.
“Ze vond het vast knudde” is geen waarneming. Dat is een gedachte. Een interpretatie. Een verhaal dat mijn hoofd maakt om de stilte te verklaren. Misschien omdat stilte ongemakkelijk is. Misschien omdat ik liever een pijnlijk verhaal heb dan helemaal geen verhaal. Misschien omdat niet-weten voor mijn systeem moeilijker te verdragen is dan een negatieve conclusie.
Daar begint deze oefening in onderscheid maken. Niet bij mezelf toespreken dat ik niet zo onzeker moet zijn. Ook niet bij doen alsof het me niets uitmaakt, of mijn gevoel wegredeneren met een vrolijk sausje van “ach joh, vast niks aan de hand.” Daar word ik meestal alleen maar geïrriteerder van.
Het begint bij eerlijk kijken.
Wat weet ik echt zeker? Wat heb ik gezien of gehoord? Wat vul ik zelf in? Welke film heb ik ervan gemaakt, waarvan ik ben vergeten dat ik zelf de regisseur ben?
Dat onderscheid verandert alles. Het verandert alle momenten waarop ik door mijn huis loop, mijn tanden poets, mijn mail open, mijn kind naar school breng, en ondertussen bezig ben met een gesprek dat nooit heeft plaatsgevonden.
Daar gaat zóveel energie naartoe. Naar denkbeeldige ruzies. Naar zelfbedachte afwijzingen. Naar het opnieuw lezen van appjes. Naar gezichten die ik probeer te ontcijferen alsof ik een emotie-detective ben.
Daar word je moe van. Dat kost je je nachtrust.
Je wordt moe van wat je van die ander maakt. Moe van het gesprek dat je voorbereidt. Moe van de hele interne afdeling Interpretatie, Analyse en Rampenscenario’s die de hele dag overuren draait in je hoofd.
Geweldloze Communicatie helpt mij dan niet om positiever te denken. Dat vind ik eerlijk gezegd ook een beetje irritant. Maar het helpt mij om preciezer te kijken, naar dat wat er werkelijk gebeurd is.
Er is nogal een verschil tussen denken: “Ze vindt mij niet goed genoeg” en kunnen zeggen: “Ik merk dat ik me onzeker voel als het stil is.” In het eerste geval heb ik het voor de ander ingevuld. In het tweede geval blijf ik dichter bij mezelf, bij wat er bij mij gebeurt. Dan neem ik mijn gevoel serieus, zonder mijn interpretatie meteen tot waarheid te kronen.
Dat is een kleine verschuiving met een enorme uitwerking.
Want als ik denk dat iemand mij afwijst, ga ik me verdedigen, terugtrekken, bewijzen of aanpassen. Dan reageer ik niet meer op wat er werkelijk gebeurt, maar op wat ik denk dat er gebeurt. Mijn verhaal wordt dan de werkelijkheid waar ik naar handel.
Zo kan ik hele gesprekken voeren met iemand die er zelf niet eens bij is.
In mijn hoofd heb ik dan al uitgelegd waarom ik teleurgesteld ben, waarom de ander onduidelijk was, waarom ik me niet gezien voelde en waarom ik voortaan misschien beter afstand kan houden. Ondertussen heeft die ander misschien geen idee dat ik zat te wachten op een gesprek of reactie.
Dat betekent niet dat mijn gevoel onzin is. Integendeel. Mijn gevoel is superbelangrijke informatie. Alleen die informatie gaat meestal niet over de ander.
Mijn gevoel vertelt me vooral iets over mij. Over hoe spannend het voor mij is om niet te weten. Over hoe belangrijk erkenning voor me is. Over mijn verlangen naar duidelijkheid. Over mijn behoefte aan contact, zorgvuldigheid of uitwisseling.
Als ik dat kan zien, hoef ik de ander niet meer eerst te beschuldigen. Dan ontstaat er ruimte voor een vraag. Niet als keurige communicatietechniek met een strik eromheen, maar in de vorm van nieuwsgierigheid.
"Ik merk dat ik onzeker word omdat ik niets van je hoor, wil je me laten weten hoe het voor jou was?"
Toen je net wegkeek, maakte mijn hoofd daar meteen van dat je afhaakte. Klopt dat, of was er iets anders?
Dat soort vragen zijn spannend.
Veel spannender dan in mijn hoofd blijven rondrennen met mijn eigen conclusie. Want zolang ik alleen met mijn eigen verhaal bezig ben, houd ik controle. En dan weet ik zogenaamd waar ik aan toe ben. Zelfs als dat weten pijnlijk is, is het soms minder kwetsbaar dan het bij de ander laten.
Een vraag stellen betekent dat ik het antwoord nog niet weet.
Soms blijkt iemand inderdaad geraakt, teleurgesteld of geïrriteerd. Dan is het fijn dat het op tafel komt, in plaats van dat het ondergronds verder groeit. Soms blijkt iemand moe, afgeleid, overprikkeld of vol met iets heel anders. Soms had iemand helemaal geen oordeel, maar gewoon geen woorden.
Soms vond iemand het prachtig.
Ook dat kan nog.
Voor mij is dit een van de grote geschenken van Geweldloze Communicatie. Niet dat ik nooit meer verhalen maak over wat de ander bezighoudt. Was het maar zo. Mijn hoofd produceert nog steeds hele seizoenen aan innerlijke Netflix, inclusief cliffhangers en bijrollen voor mensen die nergens toestemming voor hebben gegeven.
Maar ik geloof die scenario's minder snel.
Ik kan ze vaker zien voor wat ze zijn: verhalen. Pogingen van mijn brein om betekenis te geven aan iets wat nog open is.
Wanneer ik dat doorheb, ontstaat er ruimte. Niet alleen tussen mij en de ander, maar vooral in mijzelf. In mijn lijf. In mijn dag. In al die momenten waarop ik anders rond zou lopen met een knoop in mijn buik en een rechtszaak in mijn hoofd.
"Ze zei er niks over."
Dat kan dus van alles betekenen.
Of misschien wel helemaal niets.
Daar begint de vrijheid in je communicatie. Bij het moment waarop je jouw verhaal niet meteen aanneemt als waarheid, maar het even naast je neerlegt en met nieuwsgierigheid te werk gaat.
Wat is er werkelijk gezegd?
Wat is er werkelijk gebeurd?
En durf ik het de ander te vragen?
Dit leer je natuurlijk niet door er nog een artikel over te lezen.
Je leert het door het te doen. Door te oefenen op het moment dat iemand iets zegt wat je raakt en je hoofd meteen een verhaal maakt. Op het moment dat je wilt verdedigen, verklaren, terugtrekken of aanvallen.
Dan begint het echte werk.
In de Empathie Gym oefenen we precies dát soort momenten. Niet met theorie of verzonnen voorbeelden, maar met echte situaties uit je eigen leven. De appjes die je blijven bezighouden. De gesprekken die je uitstelt. De opmerkingen waar je dagen later nog steeds mee rondloopt.
Een soort sportschool voor je communicatie.
Want begrijpen en doen zijn vaak twee heel verschillende dingen.
Wil je je bewuster worden van welke verhalen jouw hoofd maakt? Wil je oefenen met het onderscheiden van wat er werkelijk gezegd wordt en wat jij erbij verzint? En wil je ontdekken hoe je daar vervolgens mee om kunt gaan?
Kom dan naar de Empathie Gym.
Met de kortingscode GYM11 oefen je voor €11 een spier die je leven lang blijft helpen.
Je bent welkom. Ook als je hoofd nu al een verhaal heeft bedacht waarom dat geen goed idee is.
Zie ik je maandag?
Liefs,
Tamara



Opmerkingen